Vertellen en presenteren

Referentieniveau Mondelinge taalvaardigheid: Spreken - Algemene beschrijving, taken en taakuitvoering


1F (minimumniveau eind groep 8)
Kan in eenvoudige bewoordingen een beschrijving geven, informatie geven, verslag uitbrengen, uitleg en instructie geven in alledaagse situaties in en buiten school.



Een monoloog houden
Kan alledaagse aspecten beschrijven, zoals mensen, plaatsen en zaken.
Kan verslag uitbrengen van gebeurtenissen, activiteiten en persoonlijke ervaringen.
Kan een kort, voorbereid verhaal of presentatie houden en daarbij op eenvoudige vragen reageren.


Samenhang
Maakt zijn gedachtegang voor de luisteraar begrijpelijk, hoewel de structuur van de tekst nog niet altijd klopt.






Afstemming op doel
Blijft trouw aan zijn spreekdoel, soms met hulp van een ander.



Afstemming op publiek
Past het taalgebruik aan aan de luisteraar(s).
Kan het verschil tussen formele en informele situaties hanteren.
Kan gebruik maken van ondersteunende materialen om een voorbereide presentatie beter aan het publiek over te brengen.
1S/2F (streefniveau eind groep 8)
Kan redelijk vloeiend en helder ervaringen, gebeurtenissen, meningen, verwachtingen, gevoelens onder woorden brengen over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.

Een monoloog houden
Kan in grote lijnen redenen en verklaringen geven voor eigen meningen, plannen en handelingen en kan een kort verhaal vertellen.
Kan informatie verzamelen om over een onderwerp uit zijn interessegebied een voorbereide presentatie te geven.
Kan vragen beantwoorden naar aanleiding van deze presentatie.

Samenhang
Kan een duidelijk verhaal houden met een samenhangende opsomming van punten en kan daarbij belangrijkste punt duidelijk maken.
Gebruikt korte eenvoudige zinnen en verbindt deze door de juiste, eenvoudige voegwoorden en verbindingswoorden.

Afstemming op doel
Geeft zijn spreekdoel duidelijk vorm (instruerend, informatief, onderhoudend enz.) zodat het voor de luisteraar herkenbaar is.

Afstemming op publiek
Kan het verschil tussen formele en informele situaties hanteren.
Maakt de juiste keuze voor het register en het al dan niet hanteren van taalvariatie (dialect, jongerentaal)
Kan de luisteraar(s) boeien door middel van concrete voorbeelden en ervaringen.

Leerlijn Vertellen en presenteren

In de bovenbouw oefenen kinderen regelmatig hun spreekvaardigheid voor de groep door alleen, in tweetallen of groepjes presentaties te houden over een informatief onderwerp of resultaten van een onderzoekje. Op basis van zelfgeformuleerde leervragen (wat, wie, waar, wanneer, waarom, hoe) kunnen ze een presentatie houden. Bijvoorbeeld: Wie was Willem van Oranje? Waar en wanneer leefde hij? Wat was zijn rol in de Tachtigjarige Oorlog? Waarom is hij belangrijk voor de Nederlandse geschiedenis? Hoe overleed hij?
De manier van presenteren is gevarieerd wat betreft intonatie, formulering, mimiek en gebaren. Kinderen houden zich aan de ene kant met hulp van steekwoorden en ondersteunende beelden (al dan niet via Powerpoint) en voorwerpen aan een vaste opbouw. Aan de andere kant durven ze ook te improviseren. Hun presentatie wordt met mimiek en gebaren steeds expressiever en in formulering correcter. Ze nodigen luisteraars uit vragen te stellen en gaan daar op in.

 

Tussendoelen Vertellen en presenteren

De leerlingen:

  1. bereiden zelfstandig een verhaal of presentatie voor
  2. kunnen een verhaal of presentatie aan de doelgroep aanpassen
  3. vertellen en presenteren expressief en op een persoonlijke manier
  4. kunnen tijdens hun verhaal of presentatie improviseren 
  5. nodigen toehoorders uit tot het stellen van vragen.

 

Vertellen en presenteren stimuleren in de praktijk

Presenteren
Veel kinderen vinden het moeilijk en spannend om een presentatie te houden. Daarom is het zinvol om al vanaf groep 1 te beginnen met mondelinge presentaties. Laat kinderen individueel, in tweetallen of kleine groepjes een presentatie voorbereiden, bijvoorbeeld over een werkstuk of een onderzoeksverslag. Geef na de presentatie ruimte voor vragen.
Bespreek de verschillende onderdelen van de presentatie na. Schenk aandacht aan de informatieve waarde, de opbouw, de duidelijkheid, formulering en interactie met het publiek. Hebben andere kinderen veel geleerd van de presentatie? Zit er een rode draad in het betoog? Heeft de spreker voldoende rekening gehouden met de voorkennis van de luisteraars? Zijn er voldoende ondersteunende materialen gebruikt? Is er vlot gepresenteerd? Heeft de spreker contact met het publiek?
In de nabespreking kan blijken dat andere kinderen ook wat weten over het betreffende thema of over een onderwerp dat hiermee te maken heeft. Zo kan de presentatie aanleiding zijn voor andere presentaties.

Tentoonstelling
Organiseer ter afsluiting van een thema of project een tentoonstelling voor ouders of andere klassen. Laat kinderen zoveel mogelijk zelf bepalen welke activiteiten of producten in de tentoonstelling aan bod moeten komen en op welke manier ze deze willen laten zien. Laat (groepjes) kinderen een onderdeel van de tentoonstelling mondeling toelichten aan de bezoekers. Bereid dit voor met de kinderen. Wat kunnen we over de tentoonstelling vertellen? Hoe kun je dit het beste vertellen? Wat weten de bezoekers al van het project? Welke vragen zouden bezoekers kunnen hebben? Evalueer na afloop de presentaties van de kinderen.

Contact

Proclaimer

Colofon

Copyright EN. Alle rechten voorbehouden

 


© 2010 Expertisecentrum Nederlands

Toernooiveld 210

6525 EC Nijmegen

(Campus Radboud Universiteit Nijmegen)