Verhaalbegrip

Referentieniveau Lezen: Zakelijke teksten - Taakuitvoering (begrijpen en interpreteren)


1F (minimumniveau eind groep 8)
Kan de letterlijke betekenis van een tekst begrijpen. Kan leesstrategieën hanteren: afhankelijk van het leesdoel bijvoorbeeld globaal of selectief lezen.

 

 

 

 

 

Kan informatie en meningen interpreteren, voor zover deze dicht bij de leerlingen staan.
1S/2F (streefniveau eind groep 8)
Kan hoofdgedachte van een tekst weergeven. Kan onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken. Kan relaties leggen tussen tekstdelen (inleiding, kern, slot) en teksten. Ordent informatie (bijv. m.b.v. signaalwoorden) voor een beter begrip. Herkent beeldspraak (letterlijk en figuurlijk taalgebruik).

 

+ Legt relaties tussen tekstuele informatie en meer algemene kennis. Kan bedoeling van tekstdelen en/of specifieke formuleringen duiden. Kan bedoeling van de schrijver verwoorden.

Leerlijn Verhaalbegrip

Om in groep 3 een goede start te maken met begrijpend lezen, is het belangrijk dat kinderen veel boeken, teksten en verhalen horen en bekijken. Ze merken dat deze een opbouw hebben van situatieschets (personen, tijd, plaats) en episode (probleem, gevolgd door een oplossing). Ook ontdekken ze verbanden tussen zinnen en grotere tekstdelen. Door verhalen na te vertellen of na te spelen worden ze zich extra bewust van deze opbouw en verbanden.

 

Tussendoelen Verhaalbegrip

De leerlingen:

  1. begrijpen de taal van voorleesboeken. Ze kunnen conclusies trekken over het verhaal en voorspellingen doen over het verdere verloop van het verhaal.
  2. weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een situatieschets (hoofdpersonen, plaats, tijd) en een episode (probleem, gevolgd door een oplossing)
  3. kunnen een voorgelezen verhaal naspelen terwijl de leerkracht vertelt
  4. kunnen een voorgelezen verhaal navertellen, aanvankelijk met steun van illustraties
  5. kunnen een voorgelezen verhaal navertellen, zonder steun van illustraties.

 

Verhaalbegrip stimuleren in de praktijk

Voorleespatroon bij informatieve prentenboeken

Blader voorafgaand aan het voorlezen samen met de kinderen het boek door. Vouw vervolgens een vel papier in drieën en zet het onderwerp van het boek erboven (woord en tekening). Schrijf boven het eerste vak ‘dit weten wij al’ en schrijf alles wat de kinderen noemen over het onderwerp in dit vak. Schrijf in het tweede vak wat de kinderen nog willen weten. Laat in het derde vak ruimte voor wat ze te weten zijn gekomen na het lezen van het boek. Sta tijdens het voorlezen af en toe stil bij de vragen die ze hadden opgeschreven. Hebben we al antwoorden gevonden? Inventariseer na het voorlezen wat ze door dit boek te weten zijn gekomen en schrijf dit op in het laatste vak. Op deze wijze maak je visueel dat je uit een boek iets kunt leren.

 

Constructieactiviteiten

Informatieve boeken kunnen uitstekend gebruikt worden bij constructieactiviteiten. Kinderen leren hiervan om grondig naar de illustraties in een boek te kijken en na te denken over wat er in een boek wordt verteld. Breng kinderen in aanraking met een breed assortiment aan informatieve prentenboeken. Laat kinderen zich oriënteren op de boeken, wissel opvallendheden uit en bespreek de verschillende functies van boeken. Laat zien welke boeken gebruikt kunnen worden bij het bouwen en werken met klei of constructiemateriaal. Stimuleer kinderen om deze boeken te gebruiken tijdens het werken in hoeken. Laat kinderen die iets gebouwd hebben met behulp van het boek, erover vertellen in de kring.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Contact

Proclaimer

Colofon

Copyright EN. Alle rechten voorbehouden

 


© 2010 Expertisecentrum Nederlands

Toernooiveld 210

6525 EC Nijmegen

(Campus Radboud Universiteit Nijmegen)