Interactief leren

Referentieniveau Mondelinge taalvaardigheid: Gesprekken - Algemene beschrijving


1F (minimumniveau eind groep 8)
Kan eenvoudige gesprekken voeren over vertrouwde onderwerpen in het dagelijks leven en buiten school.
1S/2F (streefniveau eind groep 8)
Kan in gesprekken over alledaagse en niet alledaagse onderwerpen uit leefwereld en (beroeps)opleiding uiting geven aan persoonlijke meningen, kan informatie uitwisselen en gevoelens onder woorden brengen.

Leerlijn Interactief leren

De leerkracht houdt met de kinderen elke dag leergesprekken: gesprekjes die gericht zijn op de overdracht van kennis (dieren, kleuren, seizoenen, ziek zijn, letters, vervoer etc.). Vanuit eigen leervragen verwerven kinderen in interactie met de leerkracht en andere kinderen nieuwe kennis. Hoe meer de leerkracht aansluit bij eigen leervragen, hoe gemotiveerder de leerling is actief mee te doen aan het gesprek en zijn bedoeling kan overbrengen.
In de onderbouw krijgen kinderen steeds meer grip op de wereld om hen heen. Ze gaan inzien dat dingen niet altijd toevallig gebeuren, ze ontdekken dat er oorzaken voor gebeurtenissen zijn. Ook kunnen ze zich steeds beter verplaatsen in een ander. Deze ontwikkelingen zijn van belang bij het interactief leren van nieuwe dingen.

 

Tussendoelen Interactief leren

De leerlingen:

  1. kunnen zelf leervragen stellen
  2. breiden hun kennis uit door observatie en onderzoek
  3. gebruiken complexe taalfuncties (redeneren, vergelijken, concluderen)
  4. geven hun mening
  5. luisteren naar de mening van anderen.

 

Interactief leren stimuleren in de praktijk

Gesprekken om te leren
Bij gesprekken om te leren is het doel in de eerste plaats kennis verwerven, maar tegelijkertijd ontwikkelen kinderen mondelinge taalvaardigheid.
Voer gesprekken met kinderen over het onderwerp dat centraal staat in de klas en wissel ervaringen en gedachten uit. Samen denkend en pratend ontdekken ze wat ze al wisten en of de nieuwe informatie die zij krijgen daarmee overeenkomt. Zo maken ze zich nieuwe kennis eigen.
Leg tijdens het gesprek afwisselend meer nadruk op het uitwisselen of op het leren. Geef kinderen in het gesprek de ruimte om iets in te brengen en prikkel hun nieuwsgierigheid. Stel vragen die kinderen stimuleren om verder te denken en te praten:

  • Vragen die doorgaan op de lijn van de kinderen:
    Vind jij dat ook? Hoe gaat dat dan?
  • Open vragen die een nieuw element toevoegen:
    En wat gebeurt er als je…? En heb je gedacht aan…?

  • Open vragen die de kinderen stimuleren om nieuwe informatie te zoeken:
    Hoe kunnen we dat te weten komen? Aan wie kunnen we dat vragen?


Samen doordenken en praten
Stimuleer kinderen in gesprekken complexe taalfuncties te gebruiken, zoals ordenen, vergelijken, redeneren en argumenteren. Voer een gesprek in de kleine kring, ga in op de bedoelingen van het kind en vraag door om meer duidelijkheid te krijgen. Onderhandel met het kind over de betekenis, waardoor het kind nieuwe taalkennis en taalvaardigheden opdoet.
Let erop dat alle kinderen gelegenheid krijgen hun gedachten te verwoorden. Ook de jongste kleuters kunnen op hun niveau al over ingewikkelde zaken nadenken en praten. Kies een onderwerp dat niet direct aanwezig is, bijvoorbeeld over onweer.

Contact

Proclaimer

Colofon

Copyright EN. Alle rechten voorbehouden

 


© 2010 Expertisecentrum Nederlands

Toernooiveld 210

6525 EC Nijmegen

(Campus Radboud Universiteit Nijmegen)